Voor werkgevers in PC 149.01 of PC 200 betekent dit concreet: de regeling wordt in principe mogelijk.
Tot dusver mocht je niet flexi-jobben bij dezelfde werkgever of bij bedrijven en organisaties die verbonden zijn met de onderneming waar je al werkte. Dat wordt enigszins versoepeld: voor wie 4/5 werkt, blijft die regel gelden, maar voor wie voltijds werkt, valt die beperking weg. Een voltijdse werkkracht mag met andere woorden voortaan wel flexi-jobben bij een “verbonden onderneming” van hetzelfde bedrijf.
Een uitzendkracht mag voortaan tegelijk ook een flexi-jobber zijn, maar niet bij dezelfde werkgever.
Gepensioneerden zullen direct na hun pensioen mogen flexiwerken. Maar als dat bij hun vroegere werkgever is, moeten ze wel nog even wachten tot het kwartaal na het kwartaal waarin ze met pensioen vertrokken.
Een flexi-jobber mag normaal niet meer verdienen dan 150 procent van het baremaloon. Dat wordt iets flexibeler: verplichte vergoedingen en premies vallen niet meer onder dat maximale flexiloon. Het flexiloon, zonder de wettelijke/reglementaire vergoedingen, premies en voordelen of voordelen uit cao’s, mag maximaal 150% bedragen van het minimale basisloon. Voor PC 149.01 en PC 200 is dus vooral die algemene 150%-grens relevant, naast de toepasselijke minimumlonen en eventuele sectorale verplichtingen.
Elektronisch registratiesysteem
De wet verduidelijkt dat het systeem dat de flexi-jobprestaties registreert een elektronisch systeem moet zijn. Werkgevers moeten dus zorgen voor correcte elektronische tijdsregistratie, naast Dimona en de flexi-jobarbeidsovereenkomst.
